U bent hier:FAQ's
Terug naar overzicht
Vraag:
Wanneer is de samenwerking met een EDPB verplicht?
Antwoord:
De rol van de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk (EDPB’s) heeft in principe een aanvullend karakter. Elke werkgever moet niet enkel zelf een interne dienst oprichten, maar hij moet slechts een aanvullend beroep doen op een EDPB indien bij de interne dienst elementen ontbreken om volwaardig zelf alle opdrachten te kunnen uitvoeren, of de onderneming niet alle deskundigheden in huis heeft. Theoretisch mag en kan een interne dienst alle opdrachten vervullen als hij over het nodige gekwalificeerde personeel beschikt. In de praktijk is dit slechts het geval in zeer grote ondernemingen. Elke werkgever dient een oefening te maken waaruit een taakverdeling tussen de interne en de EDPB volgt. De basisgegevens hiervoor moeten opgenomen worden in het “Identificatiedocument”, dat o.a. aangeeft over welke competenties de onderneming zelf beschikt, en welke aanvullende bekwaamheden logischerwijze moeten ingehuurd worden bij een EDPB. Dit Identificatiedocument moet ter advies voorgelegd worden aan het Comité en ter beschikking zijn van de Inspectie. De reglementering (nl. het Boek II, titel 1 van de Codex welzijn op het werk), deelt de ondernemingen, wat de bedrijfsgrootte betreft, op in 4 verschillende groepen. Verder is deze indeling beïnvloed door de risico’s die aanwezig zijn (cfr. Art. II.1-2 van de Codex welzijn op het werk): groep A: werkgevers die > 1000 werknemers tewerkstellen; groep B: werkgevers die tussen 200 en 1000 werknemers tewerkstellen; groep C: werkgevers die < 200 werknemers tewerkstellen; groep D: werkgevers die < 20 werknemers tewerkstellen en die zelf de functie van preventieadviseur (PA) vervullen. In het algemeen kan gesteld worden dat de tussenkomst van een EDPB verplicht is in de volgende gevallen: Voor ondernemingen van om het even welke groep geldt dat zij verplicht zijn een beroep te doen op een EDPB indien zij binnen hun interne dienst géén departement hebben dat belast is met het medisch toezicht. Dit zal dus in praktisch alle ondernemingen het geval zijn. De ondernemingen van groep C, die binnen hun interne dienst géén preventieadviseur met een opleiding van niveau 1 of 2 hebben aangesteld, moéten de volgende taken en opdrachten door de EDPB laten uitvoeren: - Bijstand verlenen bij de uitwerking, programmatie, uitvoering en evaluatie van het welzijnsbeleid met inachtneming van de resultaten van het dynamisch risicobeheersingssysteem dat de werkgever zelf moet uitwerken (zie Art. I.2-3 van de Codex welzijn op het werk); - Wat de risicoanalyse betreft: meewerken aan de identificatie van gevaren, advies verlenen over de resultaten van het vaststellen en nader bepalen van de respectieve risico’s en maatregelen voorstellen om in een permanente risicoanalyse te voorzien; advies verlenen voor het opstellen , uitvoeren en bijsturen van het globaal preventieplan en jaarlijks actieplan; - Verrichten van onderzoeken op de arbeidsplaats na een arbeidsongeval op de arbeidsplaats met 4 of meer dagen arbeidsongeschiktheid; - De opdrachten en taken uitvoeren die krachtens de reglementering moeten uitgevoerd worden om een herhaling van ernstige arbeidsongevallen te vermijden. In de ondernemingen van de groep D moeten de onder (2) beschreven opdrachten en taken steeds door de EDPB worden waargenomen. Hoewel het merendeel van de ondernemingen dus een beroep moeten doen op een EDPB, moet hun interne dienst toch enkele taken en opdrachten i.v.m. preventie zelf uitvoeren (zie Art.II.1-9 , II.1-11 van Codex welzijn op het werk).
Heb je nog een vraag?
Gelieve onder "contact" het contactformulier in te vullen en uw vraag te formuleren.